In opdracht van Museum Catharijneconvent in Utrecht en Aletta, Instituut voor vrouwengeschiedenis interviewt Josien Maria de Groot en Wies Stael-Merkx. De interviews vormen een onderdeel van de tentoonstelling Vrouwen voor het voetlicht die Museum Catharijneconvent van 31 maart tot 24 juni 2012 presenteert.

Over Wies Stael-Merkx (1926)
Stael was voorzitter van de Acht-mei-beweging 1985 tot 1992. Aanleiding voor het ontstaan was het bezoek van Paus Johannes Paulus aan Nederland. Verschillende groepen binnen herkenden zich niet meer in de officiële katholieke kerk.
De kiem voor de beweging was al gelegd in de jaren ’60. Veel rooms-katholieken keerden de kerk toen de rug toe of hadden zich losgemaakt vanwege de beknellende (seksuele) moraal. Het pausbezoek was aanleiding voor veel katholieken om samen naar nieuwe inspirerende vormen te zoeken. Dat lukte.
De Acht-mei-beweging bijeenkomsten waren broedplaats voor bezinning, plezier en discussie, volgens Stael Merkx. De afstand tot het officiële gezag, de bisschoppenconferentie is echter nooit overbrugd. Zij weigerde Acht-mei-beweging te erkennen. In 2002 heeft Acht-mei-beweging zichzelf opgeheven.
Wies Stael Merkx groeide op in een vrijzinnig katholiek gezin met zeven kinderen. Het kerkelijk jaar bepaalde het ritme van het gezinsleven. Geloven en bidden moesten wèl consequenties hebben voor het dagelijks leven: Opkomen voor mensen in de knel was het devies. Kerkelijke wetten werden thuis soepel gehanteerd.
Haar vader was de oecumene ver vooruit als hoofd van een openbare school met protestantse en katholieke leerlingen. Ook het verblijf tijdens de oorlog bij een streng gereformeerd en hartelijk gezin versterkte de oecumenische gedachte bij Wies Merkx.
Na een afgebroken studie medicijnen, trouwde ze kreeg drie kinderen. Uiteindelijk maakte ze carrière binnen de geestelijke gezondheidszorg. (Bron: IKON)

Over Maria de Groot (1937)
In de tweede helft van de jaren zeventig stond zij, met vrouwen als Trudy Klijn, Tine Halkes en Gonny Scholten, aan de wieg van de feministische theologie. In 1980 bood een vrouwengroep van de theologische faculteit in Utrecht haar voor enkele maanden een onderzoeksplaats aan in de feministische exegese, en daarna volgde de verhuizing naar Woudsend. „Overal waar ik werkte, werden mij meteen beperkingen opgelegd als feministisch theologe, maar in mijn eigen werkplaats, die gevoed werd vanuit de basisbeweging, kon ik mijn gang gaan.”
Een jaar later, september 1982, kreeg zij het aanbod voor een promotieplaats in Utrecht. „Geweldig. Zo kon ik het fundament leggen onder alles wat ik deed, door een studie waarin ik beide vakken, theologie en letteren, kon verenigen.” Dit proefschrift, een vrouwelijke exegese van het Johannesevangelie, werd een van de grootste drama’s van haar leven. „Toen het in 1987 klaar was, wees de beoordelingscommissie van vier mannelijke professoren het unaniem af. Zonder werkelijke argumenten. Er zouden fouten in staan, maar op de vraag welke, kwam geen antwoord. Ik heb dat ervaren als een zeer onrechtvaardige zaak, en als seksisme in optima forma. Waarmee ik wil zeggen dat de heren het werk van vrouwen met onwil en tegenzin bekijken, vooral als er dingen in staan die zij zelf niet weten.” Haar promotor, de rk theoloog prof. De Kruijf kon niets doen, maar door tussenkomst van haar copromotor, literatuurwetenschapper prof. Mieke Bal, promoveerde ze een jaar later alsnog, maar dan aan de letterenfaculteit. „Van die vier professoren heb ik niets meer vernomen, en de medewerkers van de theologische faculteit kregen het consigne dat ze niet bij mijn promotie aanwezig mochten zijn.” Over haar proefschrift heeft ze trouwens nooit iets negatiefs gehoord. „Wel kreeg ik uitnodigingen, uit Hamburg, Cambridge en Amsterdam, om te solliciteren als hoogleraar vrouwenstudies.” (bron: Trouw ‘Pelgrim op de weg van de poezie’, 1 maart 2007)
Expositie: Vrouwen voor het voetlicht
